Culemborg zoals het was

Het leven in Culemborg

home Boeken Audio Film Over ons Nieuws Links

 

Ontwikkeling van de meubelindustrie in Culemborg

Na 1840 begon de economie in heel Nederland langzaam op te bloeien  en was ook voor Culemborg een  nieuwe ontwikkelingsfase aangebroken. Het stille en eentonige stadje  aan de Lek veranderde al snel in  een bedrijvig industriestadje. Hier  profiteerden ook de Culemborgse  stoelenmakerijen van. In 1848 werd  in Achter de Vismarkt de houtzagerij  en stoelenfabriek van Van Gaasbeek  en Van Tiel geopend.

 

 

Meubelmakers aan het werk

 

In 1889 waren er in Culemborg, naast  Van Gaasbeek en Van Tiel, nog vier  grote stoelenmakerijen. Dit waren: De  Beus met 40 werknemers, L. Verkerk  met 50 werknemers, Borgstein en Sanders met 50 werknemers en N. Verkerk  met 30 werknemers. De werknemers  van de stoelenmakerijen verdienden  niet veel en stonden laag in aanzien.  Rond 1900 werden de stoelenmakerijen geleidelijk aan gemechaniseerd en  omgebouwd tot stoelenfabrieken. In  die stoelenfabrieken werden de machines aangedreven door middel van een  riemenstelsel dat met een stoommachine of gasmotor was verbonden. De stoelenfabrieken waren in die tijd vieze, donkere en gevaarlijke werkplaatsen.  Uit een in 1887/1889 gehouden onderzoek naar de Culemborgse stoelen-fabrieken bleek dat van de zes grotere  fabrieken er slechts één fabriek was met  een kachel en dat de verlichting bestond  uit petroleum of gas. De stoelenfabriek van L. Verkerk had zelfs helemaal geen verlichting.
Langzaamaan raakte de Culemborgse  stoel uit de gratie en schakelde men  over op hoekstoeltjes, Oudhollandse  stoelen, salontafels en fauteuils met  rietvlechtwerk. Maar ook het riet-werk raakte uit de mode. Net voor de  Tweede Wereldoorlog schakelde de  Culemborgse meubelindustrie over op ‘balpoten en eiken gotiek bekleed met  z.g. Kelim’, aldus De Jongh, in zijn artikel Stoelenmakerijen in Culemborg.  In 1935 was ene Oberman in de kelder  van een huisje op het Hoge Dorp begonnen met het produceren van  meubels. In korte tijd groeide dit uit tot  de meubelfabriek Gelderland, naast het  station. Een fabriek met latere topontwerpers als Jan des Bouvrie en Henk  Vos.  
Al voor 1940 waren in Culemborg  achttien meubelfabrieken gevestigd. Dit  waren naast de grote bedrijven zoals Palumbus, Van Gaasbeek en Van Tiel en  Gelderland ook Gebr. Van der Stroom,  Kramer Freher, Gebr. Van Beurden, Gebr. Van der Linden, de Tors, Gebr.  Van Veen, Gebr. Van Dam, Van Dam  en Okhuizen, Klumper van de Ham,  Grimberg, Van Zon, De Vries, Gebr.  Van Gasteren en H. Freher. Hoe de meeste Culemborgse meubel-fabriekjes na de oorlog zijn ontstaan,  schetst Riens Veldhuizen ons. Zijn  vader was beeldhouwer op een meubelfabriek. Hij verzorgde onder meer het  houtsnijwerk van de armleuningen. Hij woonde met zijn gezin in de Triowijk  en als hobby hield hij duiven. Dit duivenhok stond boven op het schuurtje  achter het huis. Toen zijn vader besloot  om voor zich zelf te beginnen, werd het  schuurtje omgebouwd tot werkplaats  en ging hij van start. Toen zijn oudste  zoon hem mee kwam helpen was het schuurtje al snel te klein. Achter het  huis van de familie Van Haarlem, in de  Prijssestraat, werd een grotere schuur  gehuurd. Er werd een freesmachine  aangeschaft en men begon met het  maken van meubels, zoals kloostertafels en haardbankjes. Na verloop van tijd  was de schuur te klein en verhuisde  men naar een grotere ruimte aan de  Steenovenlaan. Toen deze ruimte ook  te krap werd, heeft de firma Veldhuizen  aan de Staalweg op het industrieterrein  een nieuwe fabriek laten bouwen. Hier  was voldoende ruimte om hun eiken  bankstellen te blijven produceren.


Bron:  Video: Culemborg in woord en beeld, De bedrijvigheid,  A.W.K Voet van Oudheusden. Regionaal Archief Rivierenland, Tiel

Meubelmaker aan het werk bij de meubelfabriek van Veldhuizen

 

De Culemborgse stoel